Kabinet wil nieuw box 3-stelsel een jaar later, per 2029
Het kabinet-Jetten stelt voor het nieuwe box 3-stelsel per 2029 in te voeren in plaats van per 2028, met dan een vermogenswinstbelasting voor het grootste deel van het vermogen en volledig per 2030. De Belastingdienst oordeelde negatief over de uitvoerbaarheid per 2028. Ook de dekking verandert: de eerder voorgestelde verlaging van het heffingsvrij vermogen vervalt. Het box 3-wetsvoorstel dat de Tweede Kamer in februari 2026 aannam, ligt nog in de Eerste Kamer.

Op 3 november 2026 stuurde staatssecretaris Eerenberg van Financiën de Kamer een brief bij een novelle: een voorstel dat een wetsvoorstel wijzigt dat al bij de Eerste Kamer ligt. Wat stelt het kabinet voor, en wat besloot de Tweede Kamer in februari?
Eerst een verschil. In februari vroeg de Kamer met een motie van het lid Vermeer (BBB) om een stelsel op basis van vermogenswinstbelasting te presenteren, “uiterlijk bij het Belastingplan 2029”. Een Belastingplan verschijnt op Prinsjesdag het jaar ervoor, dat van 2029 dus in september 2028. De novelle gaat over de invoering van het stelsel.
Wat het wetsvoorstel van februari regelt
Box 3 belast nu een verondersteld rendement, het forfait; wie minder verdiende, kan dat met tegenbewijs aantonen. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 moest dat per 1 januari 2028 vervangen. Hoofdregel werd een vermogensaanwasbelasting: belasting over de jaarlijkse waardeontwikkeling, ook als die niet verzilverd is. Alleen voor vastgoed en aandelen in startende ondernemingen kwam er een vermogenswinstbelasting: belasting pas bij verkoop.
De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan met 93 tegen 57 zetels. Toen regeerde nog het demissionaire kabinet-Schoof, met VVD en BBB; het kabinet-Jetten (D66, VVD en CDA) trad aan op 23 februari. Voor stemden VVD, D66, GroenLinks-PvdA (sinds juni 2026 PRO), CDA, PvdD, SP en Volt. Tegen stemden coalitiepartij BBB en PVV, JA21, FVD, Groep Markuszower, ChristenUnie, DENK, SGP en 50PLUS.
Volgens de memorie van toelichting bij de novelle bleek in de Eerste Kamer “onvoldoende draagvlak” voor het wetsvoorstel “met een vermogensaanwasbelasting als hoofdregel”. “Dat draagvlak is er wel voor een volledige vermogenswinstbelasting.”
Wat het kabinet nu voorstelt
De brief: “Het kabinet heeft hierbij aanvankelijk ingezet op invoering per 2028. In de uitvoeringstoets van de Belastingdienst wordt echter een negatief oordeel gegeven over de uitvoerbaarheid per 2028.” Volgens de brief vindt ook de Raad van State invoering per 2028 “op basis van de beschikbare informatie niet verantwoord”, en kunnen financiële instellingen de gegevens over 2028 niet op tijd leveren.
Het kabinet stelt daarom voor het hele nieuwe stelsel per 1 januari 2029 in te voeren, “tenzij de komende weken blijkt dat het toch mogelijk zou zijn om tot verantwoorde implementatie per 1 januari 2028 te komen”. Volgens het voorstel blijft tot dan het forfait gelden. Per 2029 valt het grootste deel van het vermogen onder de vermogenswinstbelasting, en een restcategorie, zoals banktegoeden en verzekeringsproducten, onder de vermogensaanwasbelasting. Voor de volledige vermogenswinstbelasting per 2030 komt een apart wetsvoorstel.
De Raad van State adviseerde verder te gaan: het wetsvoorstel “in te trekken, de novelle niet in te dienen en met een nieuw wetsvoorstel te komen en per 2030 in één keer naar een nieuw box 3-stelsel over te gaan”. Het kabinet antwoordt met het spreekwoord “het betere is de vijand van het goede”: een volledige vermogenswinstbelasting is “niet eerder mogelijk dan per 2030”, en met de novelle geldt “per 2029 voor 90% van het box 3-vermogen met waardeontwikkeling een vermogenswinstbelasting”.
In maart 2026 schreef dezelfde staatssecretaris, over het aangenomen wetsvoorstel met aanwas als hoofdregel: “Al het voorgaande wijst op het belang van de invoering van het nieuwe stelsel in 2028, omdat het huidige systeem onhoudbaar is.” De vermogenswinstbelasting stond toen gepland voor “zo snel mogelijk na 2028”.
Ook de dekking, de manier waarop het kabinet de kosten opvangt, verandert: “De eerder voorgestelde verlaging van de grens van het heffingsvrij vermogen en heffingsvrij rendement, alsmede het forfait, zal worden geschrapt.” Volgens de memorie van toelichting zijn de dekkingsvoorstellen aangepast “om kleine spaarders te ontzien”. In zijn reactie op de Raad van State schrijft het kabinet dat “het lage tarief in box 2 verlaagd en het hoge tarief in box 2 verder verlaagd” wordt, “in overeenkomst met de aangenomen motie van Eijk”. Die motie van de leden Van Eijk (VVD), Inge van Dijk (CDA) en Hoogeveen (JA21) “verzoekt de regering de aanpassing van het heffingsvrij resultaat te herzien en ter dekking hiervan in ieder geval naar een verlaging van het box 2-tarief te kijken, en zo snel mogelijk, uiterlijk voor het Belastingplan, een alternatief incidenteel voorstel te presenteren”. Ze kreeg oordeel Kamer en werd op 6 oktober 2026 aangenomen met 98 tegen 52 zetels.
Wat de Kamer in februari vroeg over vermogenswinst
De motie van het lid Vermeer (BBB) “verzoekt de regering zo snel als mogelijk maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029 een box 3-stelsel gebaseerd op vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief dekkingsopties”.
Het toenmalige kabinet noemde haar “ontijdig”: een oordeel over het moment, niet over de inhoud. Staatssecretaris Heijnen van het demissionaire kabinet-Schoof zei op 4 februari 2026 in het wetgevingsoverleg: “Als wij als kabinet door zouden zijn gegaan, wat niet het geval is, dan zou ik de motie oordeel Kamer geven, maar daarom moet ik die nu het oordeel ontijdig geven.” Staatsrechtelijk kon hij “niet anders”. Vermeer antwoordde: “Om het dan ontijdig te noemen, vind ik heel raar, want het is niet ontijdig. Wij praten hier juist tijdig over.”
Op 10 februari 2026 nam de Kamer de motie aan met 76 tegen 74 zetels. Voor stemden VVD, BBB, PVV, JA21, FVD, Groep Markuszower, ChristenUnie, SGP en 50PLUS; tegen D66, GroenLinks-PvdA, CDA, DENK, PvdD, SP en Volt.
Een motie van het lid Inge van Dijk (CDA) c.s. vroeg in kaart te brengen “hoe het hybride stelsel kan worden doorontwikkeld naar een volledige vermogenswinstbelasting”, met een stappenplan. Ze werd aangenomen met 124 tegen 26 zetels. Volgens de brief van maart 2026 heeft de Kamer met beide moties “erop aangedrongen om in de toekomst toe te werken naar een volledige vermogenswinstbelasting voor box 3”.
De overige moties
Bij een motie geeft het kabinet een advies: het laat het “oordeel aan de Kamer” (een neutraal advies) of het “ontraadt” de motie. Over 17 van de 18 moties bij het wetsvoorstel werd gestemd; één werd ingetrokken. De Kamer nam er 13 aan: alle 8 met oordeel Kamer, de motie-Vermeer, een gewijzigde motie van het lid Van Eijk (VVD) c.s. over tegenbewijs voor vastgoed, waarbij de open data geen advies geven (80 tegen 70), en 3 van de 7 ontraden moties. Die drie had het toenmalige kabinet afgeraden:
- Het lid Grinwis (ChristenUnie) c.s. vroeg de structurele meeropbrengsten van een vermogenswinstbelasting in kaart te brengen (98 tegen 52). Volgens het kabinet leveren beide stelsels “structureel evenveel op per jaar”, maar wordt de derving in de eerste jaren “nooit goed gemaakt”.
- Het lid Stoffer (SGP) c.s. vroeg bij de definitie van start-ups en scale-ups “ook een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven mee te nemen, en alsnog te bezien hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting belast kunnen worden” (97 tegen 53). Een uitzondering voor familiebedrijven bleek volgens het kabinet niet “juridisch houdbaar”.
- Het lid Stoffer (SGP) c.s. vroeg “oplossingen in kaart te brengen […]” voor de vererving en schenking van verpachte landbouwgrond (94 tegen 56). Volgens het kabinet is het wetsvoorstel daarvoor “doorgaans gunstiger” dan de huidige regels.
Tegen alle drie stemden D66, GroenLinks-PvdA, PvdD en SP, tegen de laatste twee ook Volt en tegen de laatste ook DENK. De andere fracties, onder wie VVD, BBB en CDA, stemden voor.
Wat dit stuk niet meet
De brief van november schrijft dat de aangenomen moties “zullen worden betrokken bij de doorontwikkeling naar de volledige vermogenswinstbelasting per 2030”; welke, staat er niet in. Of de novelle de motie-Vermeer uitvoert, wordt hier niet beoordeeld. Over de novelle is nog niet gestemd. Bij de stemmingen van 10 februari 2026 gaven fracties geen stemverklaring; hun beweegredenen blijven buiten beeld, net als de bedragen in de brief. Een aangenomen motie is een verzoek aan de regering.
Verantwoording
Bron. De brief van de staatssecretaris van Financiën van 3 november 2026 (2026D55254); de memorie van toelichting bij de Novelle uitbreiding vermogenswinstbelasting box 3 (37 053, nr. 3) en het advies van de Raad van State met nader rapport (37 053, nr. 4); de brief van 6 maart 2026 (36 748, nr. 45); het verslag van het wetgevingsoverleg van 4 februari 2026 (36 748, nr. 46); de schriftelijke appreciatie van de moties (bijlage bij 36 748, nr. 28); het verslag van de stemmingen van 10 februari 2026; de motie 37 020 IX, nr. 11. Stemmingen, moties en appreciaties uit de open data van de Tweede Kamer, stand van 4 november 2026; de verzoeken letterlijk uit de motieteksten. De vindplaatsen werden automatisch aangewezen en daarna met de hand in de bronnen gecontroleerd.
Definities. Ontraden, oordeel Kamer en ontijdig: het advies van het kabinet zoals in de open data; ontijdig telt niet als ontraden. Unieke moties: een motie die door een gewijzigde versie is vervangen, telt één keer. Zetels: de stemmingen gingen met handopsteken; dan telt de hele fractie mee, ongeacht hoeveel leden aanwezig waren.
Kleine aantallen. Bij aantallen als 3 van 7 geven we geen percentage.
Niet gemeten. De beweegredenen van fracties; de uitvoering van aangenomen moties; de amendementen; de bedragen in de brief.