Onder het minderheidskabinet-Jetten nam de Kamer 73 van de 1.334 moties aan waartegen de hele coalitie stemde
Tegen de hele coalitie in kan de Kamer een motie alleen aannemen als de coalitie minder dan 75 zetels heeft. Sinds 2016 had een coalitie alleen na verkiezingen of na de val van een kabinet zo weinig zetels, tot het kabinet-Jetten in februari 2026 met 66 zetels aantrad. Van de moties waartegen D66, VVD en CDA alle drie stemden, nam de Kamer er 5,5% aan; in de eerdere periodes was dat 5,1% tot 15,4%. Het kabinet-Jetten liet vaker het oordeel aan de Kamer dan eerdere kabinetten in hun missionaire periodes. Waardoor deze verschillen ontstaan, laten de cijfers niet zien.

Wat verandert er in de stemmingen als het kabinet geen meerderheid in de Tweede Kamer heeft? We bekeken alle moties waarover sinds september 2016 met handopsteken is gestemd, dat wil zeggen per fractie en niet per Kamerlid. Vanaf die maand staan de stemmingen in de open data van de Kamer.
Wat er gemeten is
Een motie is een verzoek van de Kamer aan de regering. Ze is aangenomen als een meerderheid voorstemt, en blijft ook dan een verzoek. Vóór de stemming geeft het kabinet een advies, de appreciatie. Het kan het oordeel aan de Kamer laten: het neemt geen standpunt in en laat de Kamer beslissen. Of het ontraadt de motie: het raadt de Kamer af haar aan te nemen.
Een kabinet is in de minderheid als de coalitiefracties samen minder dan 76 van de 150 zetels hebben. We bepaalden dat per stemming, met de zetels op die dag. Zo kan de periode van een kabinet bestaan uit een meerderheids- en een minderheidsfase. Die fasen splitsen we in deelperiodes: missionair of demissionair, en als er in die fase verkiezingen waren, ook naar de Kamer van vóór en na die verkiezingen. Een demissionair kabinet heeft zijn ontslag aangeboden, na verkiezingen of na de val van de coalitie, en blijft aan tot er een nieuw kabinet is. Een kabinet dat dat niet heeft gedaan, heet missionair.
Bij 75 zetels kan het niet
Stemmen fracties met samen 75 zetels tegen, dan haalt een motie hooguit 75 tegen 75, en bij gelijke stemmen is ze verworpen. Een coalitie van 75 zetels of meer die eensgezind tegenstemt, kan dus niet worden overstemd. Rutte II en Rutte III zakten door afsplitsingen naar 75 zetels en waren toen in de minderheid, maar rekenkundig veranderde dat niets.
Overstemmen kon pas met minder zetels:
| Deelperiode | Zetels coalitie | Moties waartegen de hele coalitie stemde | Daarvan aangenomen (95%-interval) |
|---|---|---|---|
| Rutte II, demissionair, na de verkiezingen van 2017 | 42 | 277 | 14 (5,1%; 3,0-8,3) |
| Rutte IV, demissionair, na de verkiezingen van 2023 | 41 | 296 | 29 (9,8%; 6,9-13,7) |
| Schoof, demissionair, tot de verkiezingen van 2025 | 31-51 | 536 | 71 (13,2%; 10,6-16,4) |
| Schoof, demissionair, na de verkiezingen van 2025 | 26 | 259 | 40 (15,4%; 11,6-20,3) |
| Jetten, missionair | 66 | 1.334 | 73 (5,5%; 4,4-6,8) |
Het interval geeft aan hoe ver een percentage door toeval kan afwijken.
Alle eerdere minderheidsfasen waarin de Kamer de coalitie kon overstemmen, vielen in een demissionaire periode. Bij Rutte II was dat na de verkiezingen van 2017. Bij Rutte IV was het na de verkiezingen van november 2023, toen het kabinet na de val in juli al demissionair was. Het kabinet-Schoof zakte bij het vertrek van de PVV op 3 juni 2025 naar 51 zetels; daarna vertrok NSC en bleven er 31 over, en na de verkiezingen van 29 oktober 2025 waren het er 26.
Jetten is in deze gegevens het eerste kabinet dat zonder demissionair te zijn zo weinig zetels heeft dat de Kamer het kan overstemmen. Wat bij Jetten anders is, kan dus komen doordat de eerdere minderheidsfasen demissionair waren, of door dit kabinet en deze Kamer. Over minderheidskabinetten in het algemeen zeggen deze cijfers daarom weinig.
Ook de grootte telt. Bij 66 zetels moeten 76 van de 84 oppositiezetels voor een motie stemmen om de coalitie te overstemmen, bij 26 zetels ruim de helft. Jetten verschilt niet duidelijk van Rutte II in 2017 (de intervallen overlappen) en ligt lager dan de demissionaire kabinetten Rutte IV en Schoof.
Het omgekeerde kwam onder Jetten één keer voor: van de 1.707 moties waarvoor de hele coalitie stemde, haalde er één het niet. In de demissionaire minderheidsfase van Rutte II gebeurde dat 2 keer op 170 moties, bij Rutte IV 2 keer op 709. Bij het demissionaire kabinet-Schoof was het 26 keer op 700 tot de verkiezingen en 23 keer op 362 daarna.
Het aandeel aangenomen moties
Onder Jetten nam de Kamer 2.125 van de 3.641 moties aan: 58,4%. Tot september 2019 lag dat aandeel tussen 40,1% en 48,7%, in de eerdere deelperiodes daarna tussen 53,1% en 62,9%, met en zonder meerderheid. Jetten valt binnen die band. Waarom het aandeel steeg, meten deze cijfers niet.
Het advies van het kabinet
Het advies staat vanaf april 2019 in de open data. Het kabinet-Jetten liet bij 1.773 van de 3.639 moties het oordeel aan de Kamer: 48,7% (47,1-50,3). Dat is meer dan in de missionaire deelperiodes van eerdere kabinetten, waar het tussen 40,3% en 44,1% lag. Het verschilt niet duidelijk van Rutte IV in de demissionaire minderheidsfase: 46,8% (44,5-49,1).
Van de 1.322 moties die het kabinet-Jetten ontried, nam de Kamer er 122 aan: 9,2% (7,8-10,9). Dat verschilt niet duidelijk van de missionaire meerderheidsperiodes van Rutte III (11,7%; 9,3-14,5) en Rutte IV (10,7%; 9,6-12,0). Het is lager dan bij Rutte III in de missionaire minderheidsfase met 75 zetels (15,6%; 14,1-17,2). In de demissionaire deelperiodes lag het tussen 14,7% en 28,8%. Ook toen Schoof nog een meerderheid had, lag het hoger: 24,3%.
Twee lezingen
De cijfers laten twee lezingen toe, en ze beslissen niet tussen beide. De citaten hieronder komen uit het debat over de regeringsverklaring op 25 en 26 februari 2026, bij de start van het kabinet en vóór vrijwel alle gemeten stemmingen.
Kamerlid Klaver (GroenLinks-PvdA, sinds juni 2026 PRO) zei op 25 februari: “Dit minderheidskabinet is een riskant experiment.” In dezelfde termijn zei hij: “Wij staan klaar om ervoor te zorgen dat deze plannen ambitieuzer worden, dat we samenwerken en dat er meerderheden op komen”.
In de eerste lezing krijgt de Kamer haar zin vooraf: een motie wordt met de coalitie afgestemd en krijgt dan het oordeel aan de Kamer. SGP-Kamerlid Stoffer zei over een motie die hij met Kamerlid Markuszower (Groep Markuszower) indiende: “De coalitiepartijen hebben de motie gezien. Ik schat in dat de minister-president vanavond wellicht een ‘oordeel Kamer’ zou kunnen geven.” Minister-president Jetten zei in hetzelfde debat: “Die afstemming is er dus geweest.”
In de tweede lezing overstemt de Kamer een eensgezinde coalitie zelden, en vinden de veranderingen vooral plaats in overleg vooraf. Kamerlid Bikker (ChristenUnie): “Gisteren is door twee fracties gedeeld dat er afspraken zijn gemaakt met het kabinet én dat er een motie is, die dat bevestigt.” BBB-Kamerlid Vermeer zei: “een appreciatie is helemaal niks”. Later in het debat gebruikte hij een woord dat hij aan SP-Kamerlid Dijk toeschreef: “De heer Dijk krijgt dan toch gelijk met zijn kwalificatie ‘shoppositie’. Dit wordt gewoon shoppen op losse onderdelen.”
Wat dit stuk niet meet
- Afspraken vooraf tussen kabinet en fracties: een motie die vooraf is aangepast, kan het oordeel aan de Kamer krijgen en telt dan niet als overstemd.
- Moties die het halen terwijl de coalitie verdeeld stemt: de hoofdmaat telt alleen een eensgezinde coalitie.
- Welke fracties de moties indienden of steunden.
- Wetsvoorstellen en amendementen, en hoofdelijke stemmingen (waarbij elk Kamerlid apart stemt).
- Of het kabinet een aangenomen motie uitvoert.
- Rutte I (2010-2012), een minderheidskabinet met gedoogsteun: vaste steun van een partij buiten de coalitie. De stemgegevens beginnen pas in 2016.
- De intervallen gaan ervan uit dat stemmingen los van elkaar staan, terwijl moties over hetzelfde onderwerp samenhangen.
Hoe vaak de Kamer een coalitie overstemt, is maar één kant van hoe een minderheidskabinet werkt. Over andere kanten, zoals debat, controle, wetgeving of stabiel bestuur, zeggen deze cijfers niets.
Verantwoording
Bron en periode. Moties waarover met handopsteken is gestemd, in de open data van de Tweede Kamer, van 13 september 2016 tot en met 3 november 2026, stand 4 november 2026. De demissionaire periodes en de data van de verkiezingen en van de installatie van een nieuwe Kamer komen van parlement.com en tweedekamer.nl. Het advies van het kabinet staat vanaf april 2019 in de bron, het advies “ontijdig” pas vanaf 2024. De citaten komen uit de Handelingen van de Tweede Kamer van 25 en 26 februari 2026.
Definities. Fase: minderheid als de coalitiefracties bij die stemming samen minder dan 76 zetels hadden, anders meerderheid. Deelperiode: een fase, verder gesplitst naar missionair of demissionair en, als er in die fase verkiezingen waren, naar de Kamer van vóór en na de verkiezingen. Hele coalitie tegen: alle coalitiefracties stemden tegen. Aangenomen: het besluit in de bron, ook bij moties die zonder tegenstemmen zijn aangenomen. Ontraden: ook “ontraden, tenzij gewijzigd”. Elke motie telt in de deelperiode van haar eigen stemming.
Interval. Een 95%-betrouwbaarheidsinterval (Wilson).
Noemers. Het aandeel aangenomen moties is berekend op de stemmingen over moties (onder Jetten 3.641), het aandeel oordeel Kamer op de moties waarover is gestemd (3.639). Het verschil komt doordat de eerste telling per stemming gaat en de tweede per motie.
Werkwijze. De cijfers werden automatisch uit de open data berekend en afzonderlijk nagerekend; de vindplaatsen werden automatisch aangewezen en daarna met de hand gecontroleerd.