Als dit een zege is, is het er een van 73 moties
Een minderheidskabinet is een zege voor de democratie: dat is de stelling die hier getoetst wordt. Een riskant experiment, zei Kamerlid Klaver bij de start. In de stemmingen over moties is van allebei weinig te zien: van de 1.334 moties waartegen de hele coalitie stemde, nam de Kamer er 73 aan. Dat getal meet niet het overleg vooraf, waar de winst zou kunnen zitten. Wie een zege wil vieren, moet eerst laten zien waar ze zit.

Op basis van: Onder het minderheidskabinet-Jetten nam de Kamer 73 van de 1.334 moties aan waartegen de hele coalitie stemde
Over een minderheidskabinet kun je op twee manieren praten: in grote woorden of in moties. Aangedikt is het een gok met het landsbestuur, of eindelijk een Kamer die zelf beslist. De echte woorden kwamen bij de start, in het debat over de regeringsverklaring. “Dit minderheidskabinet is een riskant experiment”, zei Kamerlid Klaver (GroenLinks-PvdA, sinds juni 2026 PRO) op 25 februari 2026. Wel bood hij in dezelfde termijn aan mee te werken: “Wij staan klaar om ervoor te zorgen dat deze plannen ambitieuzer worden, dat we samenwerken en dat er meerderheden op komen”. Daartegenover staat de stelling die hier getoetst wordt: een minderheidskabinet is een zege voor de democratie. Groter kan het bijna niet.
Dan de moties. Het kabinet van D66, VVD en CDA trad in februari 2026 aan met 66 zetels. In de gegevens, die teruggaan tot 2016, is het het eerste kabinet dat niet demissionair is en toch zo weinig zetels heeft dat de Kamer het kan overstemmen. Daarvoor moeten 76 van de 84 oppositiezetels voor een motie stemmen. Dat lukte bij 73 van de 1.334 moties waartegen de hele coalitie stemde: 5,5%.
De omwenteling die uitblijft
In die moties zou de zege te zien moeten zijn: een Kamer die haar zin doordrijft tegen de coalitie in. Dat doet ze, af en toe, en telkens met vrijwel de hele oppositie achter zich. In de eerdere periodes waarin de Kamer de coalitie kon overstemmen, lag het aandeel dat ze tegen de coalitie in aannam tussen 5,1 en 15,4%. Van Rutte II in 2017 verschilt het kabinet-Jetten niet duidelijk. Bij Rutte IV en Schoof, allebei demissionair, lag dat aandeel hoger.
Naar verhouding ging de Kamer het vaakst tegen de coalitie in bij Rutte IV en Schoof, kabinetten die hun ontslag al hadden aangeboden, met coalities van 26 tot 51 zetels. Dat is geen eerlijke vergelijking, en daarmee ook geen bewijs tegen het kabinet-Jetten: tegenover 26 zetels volstaat ruim de helft van de oppositiezetels. Maar het zegt wel iets over de grote woorden. De hoogste percentages horen niet bij het experiment, maar bij kabinetten die al op weg naar de uitgang waren.
Het omgekeerde komt ook voor: een motie waarvoor de hele coalitie stemt en die het toch niet haalt. Onder het kabinet-Jetten gebeurde dat één keer, op 1.707 moties. Van alle moties nam de Kamer er onder dit kabinet 58,4% aan. Dat ligt binnen wat de periodes na september 2019 lieten zien, met en zonder meerderheid. In de uitslagen ziet het riskante experiment eruit als gewoon parlementair werk.
Wel anders: het advies
Eén ding is wel anders. Bij 48,7% van de moties liet het kabinet-Jetten het oordeel aan de Kamer. Het neemt dan geen standpunt in en laat de Kamer beslissen. Eerdere kabinetten deden dat, zolang ze nog niet demissionair waren, bij 40,3 tot 44,1% van de moties. Van Rutte IV, toen dat demissionair was en geen meerderheid had, verschilt het kabinet-Jetten daarin niet duidelijk: toen was het 46,8%.
Van de moties die dit kabinet ontraadt, nam de Kamer er 9,2% aan. Dat is geen duidelijk andere kans dan onder Rutte III en Rutte IV, toen die nog een meerderheid hadden en niet demissionair waren. Het beeld van een Kamer die de adviezen van een kabinet zonder meerderheid in de wind slaat, is in dit cijfer niet terug te zien.
Waar zit de democratische winst dan, als die er is? Op een plek waar de stemmingen niet komen: het overleg vooraf. Een motie die vooraf is aangepast, kan het oordeel aan de Kamer krijgen en telt dan niet als overstemd. De cijfers laten twee lezingen van dat overleg toe, en de citaten uit het debat bij de start passen bij allebei. Het zijn verwachtingen van februari, geen meting.
In de eerste lezing krijgt de Kamer haar zin vóór de stemming: een motie wordt met de coalitie afgestemd en krijgt dan het oordeel aan de Kamer. SGP-Kamerlid Stoffer zei over een motie die hij met Kamerlid Markuszower (Groep Markuszower) indiende: “De coalitiepartijen hebben de motie gezien. Ik schat in dat de minister-president vanavond wellicht een ‘oordeel Kamer’ zou kunnen geven.” In hetzelfde debat zei minister-president Jetten: “Die afstemming is er dus geweest.”
In de tweede lezing gaat het niet om de Kamer, maar om afzonderlijke fracties: de Kamer overstemt een eensgezinde coalitie zelden, en wat verandert, regelen kabinet en afzonderlijke fracties vooraf, onderdeel voor onderdeel. ChristenUnie-Kamerlid Bikker: “Gisteren is door twee fracties gedeeld dat er afspraken zijn gemaakt met het kabinet én dat er een motie is, die dat bevestigt.” BBB-Kamerlid Vermeer gebruikte een woord dat hij aan SP-Kamerlid Dijk toeschreef: “De heer Dijk krijgt dan toch gelijk met zijn kwalificatie ‘shoppositie’. Dit wordt gewoon shoppen op losse onderdelen.”
Een Kamer die vooraf haar zin krijgt, of, in de woorden van Vermeer, shoppen op losse onderdelen: de cijfers beslissen niet tussen die twee.
Wat een echte zege zou vragen
Een zege die in de stemmingen niet te zien is, valt moeilijk te vieren. Willen kabinet en Kamer laten zien dat de Kamer onder een minderheidskabinet meer te zeggen heeft, dan moet het overleg vooraf telbaar worden. Welke motie is vooraf aangepast, op welk punt, en kreeg ze daarna het oordeel aan de Kamer? Dan kan iedereen meetellen. Nu is de winst, als die er is, in de uitslagen niet terug te vinden.
Ook een aangenomen motie is nog geen overwinning. Ze blijft een verzoek aan de regering. Of het kabinet de 73 moties uitvoert die de Kamer tegen de coalitie in aannam, blijkt niet uit deze cijfers.
En voorzichtigheid met de grote woorden, aan beide kanten. Het kabinet-Jetten is in deze gegevens het enige kabinet dat niet demissionair is en toch door de Kamer kan worden overstemd. Het gaat alleen over moties, niet over wetsvoorstellen of amendementen. Over debat, controle of stabiel bestuur zeggen deze cijfers niets. Ook “riskant experiment” is daarmee nog niet bewezen of weerlegd.
Tot nu toe is het riskante experiment vooral een voorzichtig experiment, en de zege, als die er is, een bescheiden. Een Kamer die de coalitie 73 keer overstemde, een kabinet dat vaker het oordeel aan de Kamer liet dan eerdere kabinetten die nog niet demissionair waren, en overleg vooraf dat deze cijfers niet zien. Wat de moties betreft, kan de noodklok over het riskante experiment blijven hangen. En wie voor de democratie de vlag wil uithangen, kan die nog even binnenhouden.
Pulp