BLUNT&PULPBotte feiten.
Botte opinie.
Pulp · Opinie

Elke vaste subsidie verdient een einddatum

Een gewone subsidieregeling vervalt volgens de wet na hooguit vijf jaar, onder voorwaarden tien. Voor subsidies op naam en voor subsidie die neerkomt op bekostiging van een instelling geldt die einddatum niet. En wat vaste subsidie oplevert, is in de open data van het Rijk niet te zien. Dat moet anders: elke vaste subsidie een einddatum en een openbare evaluatie.

Pulp · 5 november 2026 · De feiten

Een zandloper van dichtbij, in roze met scanlijnen
Beeld: bewerking van een foto van Michael Himbeault (2010), Wikimedia Commons, CC BY 2.0.
Delen

Op basis van: Welke stichtingen jaar na jaar rijkssubsidie krijgen

Voor gewone subsidieregelingen gaat de wet ervan uit dat ze niet vanzelf doorlopen. Een subsidieregeling “bevat een tijdstip waarop de regeling vervalt”, zegt de Comptabiliteitswet, “niet later dan vijf jaren na de inwerkingtreding”. Onder voorwaarden mag dat tien jaar zijn. Dat is een goed principe. Wie publiek geld krijgt, moet op gezette tijden opnieuw laten zien waarom dat geld nodig is.

Maar dat principe geldt niet voor elke vorm van subsidie.

Jaar na jaar dezelfde ontvangers

Het Rijk publiceert elk jaar open data over wat het uitgeeft en aan wie. Blunt zocht daarin uit hoe het subsidiegeld verdeeld is. In 2025 betaalde het Rijk 13.297,4 miljoen euro aan subsidie. Van het geld aan ontvangers met naam ging in 2025 42% naar stichtingen. Een deel van die stichtingen krijgt elk jaar opnieuw miljoenen. Blunt telde 40 stichtingen die in minstens vijf van de zes jaren van 2020 tot en met 2025 telkens 5 miljoen euro subsidie of meer kregen. Samen kregen ze in die zes jaar 4.297,9 miljoen euro, waarvan 764,4 miljoen in 2025. Zeven van de 40 zijn ziekenhuizen, hogescholen, universiteiten of zorggroepen.

Hoe groot de groep precies is, hangt af van de gekozen grens en van hoe de open data ontvangers aan elkaar koppelen. Maar bij elke grens die Blunt doorrekende, van 1 tot 10 miljoen euro, is er een groep. Bij de hoogste grens kregen zeven andere stichtingen elk jaar 10 miljoen euro of meer, zonder uitzondering.

Het geld komt onder meer van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en uit begrotingshoofdstuk XVII, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp: het deel van de rijksbegroting waaruit ontwikkelingshulp wordt betaald.

Langs welke weg die stichtingen hun geld krijgen, zeggen de open data niet. Een deel kan lopen via gewone regelingen, een deel bijvoorbeeld via een subsidie op naam, waarbij de ontvanger met naam in de begroting zelf staat. Welk deel, staat er niet in. Dit commentaar gaat daarom over de vorm, niet over wie het geld krijgt.

Waar de einddatum niet geldt

Normaal geeft een ministerie subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt waarvoor subsidie kan worden gegeven. De Algemene wet bestuursrecht staat subsidie zonder zo’n wettelijk voorschrift toe, als “de begroting de subsidie-ontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt”. Dat heet een subsidie op naam: de ontvanger staat met naam en maximumbedrag in de begroting zelf.

De einddatum van de Comptabiliteitswet geldt alleen voor regelingen waarop subsidie “op aanvraag” wordt verstrekt. Subsidies op naam vallen er dus niet onder. Volgens de toelichting bij de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking vallen ook subsidies “die het karakter hebben van bekostiging van een instelling” erbuiten. Kort gezegd: geld waarmee het Rijk een instelling zelf financiert, geen los project.

Dat komt niet doordat een ministerie de regels overtreedt, maar doordat de regel voor deze vormen niet geldt. Een subsidie op naam staat wel in de begroting. Maar die vermelding in de begroting zegt wie het geld krijgt en hoeveel. Een wettelijke einddatum, die het ministerie dwingt opnieuw te besluiten of de subsidie doorgaat, hoort er niet bij. Bij een gewone subsidieregeling wel.

Daarnaast zijn er posten met maar één ontvanger. Een post is de regeling of het budget waaruit een betaling komt. In 2025 hadden 53 posten van minstens 5 miljoen euro precies één ontvanger met naam, samen 1.629,1 miljoen euro. Bij 15 van die posten was de ontvanger een stichting, samen 302,6 miljoen euro. Minstens zeven van de 53 posten dragen de naam van de ontvanger. Zo’n postnaam wijst op een subsidie op naam, maar bewijst die niet. En één ontvanger in één jaar zegt niet of er een aanvraagronde of tender was.

Ontwikkelingshulp: het kan wel, maar het is niet te volgen

Bij ontwikkelingshulp laat het Rijk zelf zien dat het anders kan. De helft van de 40 stichtingen kreeg subsidie uit begrotingshoofdstuk XVII. Een deel van het geld uit dat hoofdstuk ging via het beleidskader Versterking maatschappelijk middenveld 2021–2025: 1.290 miljoen euro voor 42 partnerschappen, gekozen via een tenderprocedure, een selectie tussen aanvragers. Het kader had een looptijd. De opvolger, Focus, heeft 490 miljoen euro voor 2026–2030. Het kabinet baseerde dat nieuwe kader onder meer op tussentijdse beoordelingen van de lopende partnerschappen en op een eerdere evaluatie door de IOB, de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie. Een externe partij evalueert Focus. Een looptijd, een keuze, een beoordeling en een opvolger: zo hoort het.

Twee kanttekeningen. Een looptijd voorkomt vaste ontvangers niet. Bij minstens vier van de 40 stichtingen die jaar na jaar geld kregen, is een post met de naam van dit kader in 2025 de grootste post. Een meerjarige toekenning ziet er in de open data uit als een vaste betaling per jaar. Dat is op zich geen bezwaar. Maar het laat zien dat een einddatum alleen niet genoeg is. Het gaat om de openbare evaluatie die bij die einddatum hoort.

En wie dat van buitenaf wil volgen, ziet het niet terug in de open cijfers over de betalingen. De beoordelingen bestaan, maar staan daar niet naast het geld. Wat het geld opleverde, is in deze open data niet zichtbaar.

Wat de cijfers niet laten zien

Dat geldt voor alle subsidie, niet alleen voor ontwikkelingshulp. Bij 28% van de subsidie in 2025 is de ontvanger in de open data geanonimiseerd. In eerdere jaren wisselde dat deel van 79% in 2020 tot 11% in 2024. De open data bevatten betalingen, geen resultaten. Ook of een stichting het geld zelf besteedt of als uitvoerder doorgeeft, staat er niet in.

Daarmee is niet gezegd dat het geld slecht besteed is. Wel dat in deze open betalingsdata niet te volgen is wat het oplevert. Wie dat wil weten, moet elders zoeken. Dat is geen verwijt aan wie het geld krijgt. Het is een verwijt aan het systeem. Het ministerie dat betaalt, hoort te laten zien wat het geld oplevert, niet de lezer die vragen stelt.

Het sterkste tegenargument

Er is een goed argument tegen dit commentaar. Sommige organisaties moeten juist vast gefinancierd worden. Denk aan hulplijnen en uitvoerders van landelijke taken. Een hulplijn kan niet om de vijf jaar onzeker zijn over haar bestaan. Wie een einddatum eist, kan de continuïteit in gevaar brengen. Bovendien maakt de wet deze uitzondering bewust: een subsidie op naam bestaat alleen als de begroting haar met ontvanger en maximumbedrag vermeldt. De begroting is dan zelf het moment van herbeoordeling. En de open data zeggen over resultaten niets. Dat het resultaat er niet in zichtbaar is, betekent niet dat er geen resultaat is. Evaluaties, zoals die van de IOB, bestaan wel, maar vallen buiten deze cijfers.

Dat argument klopt deels, en dat deel neemt dit commentaar over: het beweert niet dat vaste subsidies niets opleveren. Maar het argument bewijst minder dan het lijkt. Continuïteit is een reden om vast te financieren, niet om te financieren zonder openbare evaluatie op een vast moment. Een einddatum is geen einde. Het is een moment waarop het ministerie moet uitleggen waarom het doorgaat. Na een goede evaluatie kan een subsidie gewoon worden verlengd. Het kader voor het maatschappelijk middenveld laat zien dat het Rijk dat kan: een looptijd, beoordelingen en een opvolger. En een vermelding in de begroting is geen evaluatie die naast het geld staat. Die vermelding zegt wie het geld krijgt en hoeveel, niet wat het oplevert. Als de evaluaties er zijn, is het een kleine stap om ze naast het geld te zetten.

Wat er moet gebeuren

Drie dingen.

Eén: elke vaste subsidie, ook een subsidie op naam en ook subsidie die neerkomt op bekostiging van een instelling, krijgt een einddatum en vóór verlenging een openbare evaluatie. De termijn die de wet al kent voor gewone regelingen, vijf jaar en hooguit tien, is daarvoor een redelijke maat. Dat is geen eis tegen vaste ontvangers. Het is een eis voor een openbare evaluatie op een vast moment.

Twee: per post maakt het ministerie zichtbaar welke evaluatie bij het geld hoort, zodat betaling en resultaat op één plek te vinden zijn.

Drie: waar een ontvanger geanonimiseerd is, zegt het ministerie per post waarom. Er kunnen goede redenen zijn. Maar als het in 2025 om 28% van het geld gaat, hoort de reden openbaar te zijn.

Een subsidie die jaar na jaar doorloopt, kan goed besteed geld zijn. Maar “kan” is geen verantwoording van het ministerie dat betaalt.

Pulp

Meer in Pulp →

Delen